Mekong 10: naar Phnom Penh, naar de kust, Kampot en Kep

Naar Phnom Penh

“Jezus (excusez le mot), wie heeft ooit bedacht dat je die stad ‘Klom Pen’ noemt en dan zó schrijft”.

Ik heb het al tientallen keren langs zien komen en toch schrijf ik het weer verkeerd nu ik dit stukje typ. Nou ja, de Cambodjanen kunnen het ook niet helpen dat hun voorouders hun hoofdstad genoemd hebben naar de heuvel (een ‘phnom’ is letterlijk een berg in het Cambodjaans) van mevrouw Penh die zij liet opwerpen om vier aangespoelde Boeddha beelden op te plaatsen. Maar we zitten er nu maar mooi mee J.

Er zijn een aantal manieren om na Angkor/Siem Reap door te reizen naar de hoofdstad: per fiets, per bus of per boot over het Tonlé Sap, een enorm meer dat gevoed wordt door de Mekong via de Tonlé Sap rivier. Die laatste optie, in combinatie met de eerste, spreekt ons het meeste aan. Maar als er weinig water door de Mekong stroomt, staat het water in het Tonlé Sap dus ook laag (zie het verhaal over de dammen in de Mekong) en kan de boot niet varen. Gelukkig is dat nu niet het geval en de boot gaat dus gewoon.

 

 

 

We besluiten om niet helemaal tot Phnom Penh mee te varen. Daar waar het meer overgaat in een rivier, bij Kampong Chhnang, gaan we van boord om in twee dagen over het platteland naar de hoofdstad te fietsen.

Met onze navigatie app vinden we witte en gele weggetjes. We fietsen door rijstvelden en boomgaarden. Het platteland is hier vooruitstrevender dan in het noorden. Er zijn ook vaker mensen die Engels spreken. We overnachten langs hoofdweg 5 in het plaatsje Kampong Tralach. Daar ontmoeten we de Australische Matt die zich de volgende dag gaat verloven met zijn Cambodjaanse vriendin. Hij heeft geen idee wat hem allemaal overkomt. De verloving voelt al als een bruiloft, compleet met partytent, traditionele kleding en tientallen familieleden en vrienden die allemaal een mand met giften hebben meegebracht. Helaas zijn we niet bij de hele ceremonie aanwezig, maar we krijgen wel een indruk hoe zoiets er aan toe gaat.

Daarna zoeken we de rivier die uit het Tonlé Sap komt weer op en dat is leuk want niet overal zijn bruggen over de zijstromen, dus moeten we vaak een lokaal pontje nemen.

“He, kijk Eric: ossenkarren. Wat leuk! Die hebben we lang niet gezien”.

Als we even stoppen bij een boer die zijn ossen voor de kar vandaan haalt komen er zowaar nog drie karren langs. Leuk om te zien dat het nog bestaat. De meeste landbouwactiviteiten in Cambodja worden met een voorzettractortje gedaan. De boer laat ons op zijn smartphone een filmpje van een soort ossenmarkt zien en wijst de kant op die wij op gaan. Wat leuk! Die vier ossenkarren verbazen ons wel, want in het armere noorden zagen we ze nooit.

Als we verder fietsen komen ons nog meer ossenkarren tegemoet. Dat belooft wat… Tot we langs een rij van zes achter elkaar fietsen en en grote blanke blonde mensen ongemakkelijk achterstevoren op de karren zien zitten… Shit, we zijn erin getrapt. Ossenkarren zijn nog slechts een toeristische attractie…

Phnom Penh

“Wat moeten we vooral doen als we in Phnom Penh zijn?”, vragen we aan de ontzettend aardige en goed Engels sprekende eigenaresse van de grote bakkerswinkel in Kampong Tralach.

“Een skybar!”, zegt ze zonder enige twijfel in haar stem.

“Ok, we zullen het onthouden en aan je denken als we er zijn”.

Phnom Penh, uitgesproken als ‘Klom Pen’ dus, werd in de jaren ‘20 van de vorige eeuw tijdens het Frans koloniale bewind wel de ‘Parel van Azië’ genoemd. De Fransen veranderden het rustige plaatsje aan de Mekong in een paar decennia in een bruisende handelsstad met hotels, scholen, ziekenhuizen, banken, een station, een vliegveldje, enz. Dat is nu bijna niet meer voor te stellen, alhoewel je tussen de verkrotte panden nog wat vergane Franse glorie bespeurt.

De grote tragiek van Phnom Penh is zonder enige twijfel de totale ontruiming door de Rode Khmer in april 1975 na een beleg van ruim een jaar. Als je nu door de levendige straten loopt is het bijna niet voor te stellen dat vrijwel alle inwoners in een soort van dodenmars gedwongen naar het platteland moesten vertrekken. Alleen de leiders en medewerkers van het Rode Khmer bewind en hun families mochten in Phnom Penh verblijven. Twee monumenten in de stad herinneren nog aan deze donkere bladzijde in Cambodja’s geschiedenis: het Tuol Sleng Genocide Museum, gevestigd in de voormalige martel gevangenis, en de locatie van de Killing Fields bij Choeng Ek, zo’n 15 km ten Zuidwesten van de stad. Wie de horror met eigen ogen wil aanschouwen kan voor een paar euro’s een kaartje kopen. Wij hebben daar niet zo’n behoefte aan en houden het bij het lezen over deze periode in onze reisgids en het zien van de film ‘The Killing Fields’ uit 1984.

Gelukkig heeft het Cambodjaanse volk na de val van de Rode Khmer in 1979 met veel veerkracht de stad weer opgebouwd. De boulevard langs de Mekong is vergeven van de toeristenhotels en de straten erachter bruisen van vertier. Maar het is en blijft een typisch Aziatische stad met overvolle straten, brommertjes en kleurrijke, naar rijpe doerians riekende markten.

De laatste avond genieten we van de zonsondergang over de Mekong in de skybar van ons hotel en denken aan de aardige bakkersvrouw die haar leven in deze stad heeft verruild voor een leven in Kampong Tralach.

Het koninklijk paleis en de zilveren pagode zijn zeker ook een bezoekje waard.

Veel schatten uit de Angkor tempels zijn ondergebracht in het nationaal museum in Phnom Penh, zoals deze garuda uit de tempel van Koh Ker.

Deze boeddha beelden zijn afkomstig uit de 1000 boeddha hal van Angkor Wat.

En deze beelden komen uit de Bayon, zoals de foto op de achtergrond aangeeft.

Naar de kust

“Wat dacht je er van om onze jokerdagen te verbrassen aan een palmenstrand. Ik heb namelijk niet zoveel zin om straks een week in de drukte van Saigon te wachten tot ons vliegtuig terug naar huis gaat”. Eric heeft gezien dat we gaan inlopen op ons schema doordat we de meeste jokerdagen nog niet hebben ingezet.

“Nou, dat is geen verkeerd idee. Waar denk je aan?”

“Wat dacht je van Phú Quôc Island”.

Nou, dat klinkt mij niet verkeerd in de oren. Snel zoek ik het op in de reisgids. Het eiland is Vietnamees, maar nogal eens door Cambodja geclaimd, vandaar dat er in het noorden een flinke militaire basis is gevestigd. Nou ja, de foto’s van het palmenstrand zien er zeer aantrekkelijk uit, dus ik stem in.

“We moeten dan wel onze route verleggen. Oh ja, we hebben van Asian Way of Life nog een route gekregen om te testfietsen. Die kunnen we dan wel gaan doen”.

Zo gezegd, zo gedaan. De alternatieve route van Phnom Penh naar Takeo is erg leuk, alhoewel we ‘m niet in één dag gefietst hebben omdat we toch lángs de Tuol Sleng gevangenis en de Killing Fields willen fietsen, uit een soort van eerbetoon aan de slachtoffers van de Rode Khmer. We hebben er echter geen behoefte aan om naar binnen te gaan, ook al omdat we lezen dat deze gedenkplekken particulier gerund worden… Dat stuit ons nogal tegen de borst.

We vinden een hotelletje in Ta Khman, waar het erg veel overtuigingskracht kost om de fietsen veilig gestald te krijgen. Uiteindelijk zijn ze bij de naastgelegen marmerwerkplaats welkom. De volgende dag fietsen we de alternatieve route. Hij is erg leuk, maar niet geschikt voor smalle bandjes want regelmatig banjeren we over kapotgereden wegdek en modderige paadjes tussen de rijstvelden. Maar ook prachtige stukken over dammen en tussen meren, of ondergelopen land, wie het verschil ziet mag het zeggen.
Na een leuke fietsdag vinden we een aardig hotelletje en zowaar en Franse bistro in Takeo. De zwaarte die ik voelde na de confrontatie met de terreur van de Rode Khmer is daarmee weer wat op de achtergrond geraakt.

Kampot en Kep

De weg van Takeo naar de kustplaats Kampot is een hele saaie, vooral in vergelijking met de leuke fietsdag ervoor. Maar ja, we houden ons maar vast aan de leuke dagen die komen gaan. Verrassend is wel dat we in Kampot onverwacht veel westerse toeristen aantreffen. Het is aan het einde van de middag erg gezellig langs de boulevard van de Praek Tuek Chhu rivier als de zon prachtig onder gaat achter Phnom Bokor.

De volgende dag fietsen we de eerste 15 kilometer door een zoutpannen gebied. Kampot staat bekend om het hoogwaardige zout dat daar gewonnen wordt. Ook wordt in het achterland peper verbouwd dat van hoge kwaliteit schijnt te zijn. We hebben de proef niet op de som genomen.
Als we door de pannen fietsen haalt een tuktuk met twee toeristen ons in. Niet veel verderop stoppen ze bij een van de schuren en nemen een kijkje binnenin. Terwijl de chauffeur met de toeristen een praatje met de zoutwinners op het land maakt, glippen wij ook even de schuur in. Achterin ligt een zielig bergje zout. Het ziet er zo viezig uit dat ik het niet durf te proeven. Maar ja, het is dan ook ruw gewonnen zout. Nog niet geraffineerd, of wat men dan ook met zout doet alvorens het eetbaar is. Maar altijd leuk om even binnen te gluren.

De kustweg brengt ons die dag ook in Kep. Een échte badplaats als we onze reisgids mogen geloven, dus badpak bovenop in de tas!
Na een bezoek aan de beroemde krabmarkt gebruiken we onze lunchpauze om te zwemmen in de baai met het aangelegde witte zandstrand. In de jaren ’20 van de vorige eeuw was Kep het St. Tropez van de Franse jetset in Indochina. Na de onafhankelijkheid bliezen de meer bemiddelde burgers van Cambodja de badplaats nieuw leven in tot de Rode Khmer er in 1975 abrupt een einde aan maakte. We zijn niet écht onder de indruk van het stadje. Het is een beetje zielloos, zonder een echt centrum.

Tussen de bedrijven door mogen de krabben nog even ‘zwemmen’ voor ze in de pan van de klant belanden.

We besluiten dan ook om de volgende etappe er die dag maar gelijk aan vast te plakken en de grens over te gaan. Zo kunnen we de volgende dag al de boot naar Phú Quôc nemen.

Als ik Eric aan het einde van onze reis vraag wat voor hem het hoogtepunt was zegt hij onomwonden:

“Dat we Cambodja hebben leren kennen”.

Carla

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>